ECLI:NL:CRVB:2019:2081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet melden van stortingen op bankrekening bij bijstandsverlening
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake een boete van €880,- opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan appellante. De boete is opgelegd omdat appellante geen melding heeft gemaakt van stortingen en bijschrijvingen van derden op haar bankrekening, wat een schending is van de op haar rustende inlichtingenverplichting.
Vaststaat dat er bedragen zijn gestort en bijgeschreven op de bankrekening van appellante zonder dat zij hiervan melding heeft gemaakt. Appellante voerde aan dat zij niet wist dat deze bedragen van invloed waren op haar recht op bijstand, maar dit verweer werd verworpen. Financiële ondersteuning van derden beïnvloedt immers de hoogte van de bijstand, waardoor melding verplicht is.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante verwijtbaar heeft gehandeld door deze stortingen niet te melden. Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Het college heeft bij het opleggen van de boete rekening gehouden met de financiële situatie van appellante en de boete is proportioneel, ook in combinatie met de terugvordering van bijstand.
De boete is daarom bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is openbaar gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De boete van €880,- wegens niet melden van stortingen op de bankrekening wordt bevestigd.