ECLI:NL:CRVB:2019:2083
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en oplegging boete wegens niet-woonachtig zijn op opgegeven adres
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel waarin het college van burgemeester en wethouders van Zwolle de bijstand van appellant introk, kosten terugvorderde en een boete oplegde. De grondslag voor het besluit was dat appellant niet woonde op het opgegeven adres, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Appellant voerde aan dat hij wel zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres, mede vanwege de zorg voor zijn zieke vader. Echter, tijdens een huisbezoek bleek dat de woning niet bewoond was: de koelkast was leeg, meubels zaten deels nog in de verpakking en persoonlijke spullen ontbraken. Appellant had ook verklaard dat de woning nog moest worden ingericht en dat hij er feitelijk nooit had verbleven.
De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door niet te melden dat hij niet op het opgegeven adres woonde. Het college was daarom terecht gehouden de bijstand in te trekken, de kosten terug te vorderen en een boete op te leggen. De boete werd passend geacht gezien de gemiddelde verwijtbaarheid en draagkracht van appellant. Een veroordeling in proceskosten werd niet opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand, terugvordering en boete worden bevestigd wegens niet-woonachtig zijn op het opgegeven adres en schending van de inlichtingenverplichting.