ECLI:NL:CRVB:2019:2085
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herstel recht op Ziektewetuitkering wegens onderschatting beperkingen
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV beëindigde haar Ziektewetuitkering op grond van een beoordeling dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen waren onderschat en overhandigde medische stukken ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die concludeerde dat appellante ernstiger beperkingen had dan de verzekeringsartsen hadden vastgesteld, met name op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, en niet in staat was 40 uur per week te werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep betwistte deze conclusies deels, maar de Raad volgde de deskundige vanwege haar gedegen en gemotiveerde rapportage.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het UWV-besluit in stand had gelaten en vernietigde de uitspraak en het besluit van het UWV. Het recht op ziekengeld loopt door vanaf 26 september 2014. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt vernietigd en het recht op ziekengeld loopt door vanaf 26 september 2014.