ECLI:NL:CRVB:2019:2109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ziekengeldsanctie opgelegd aan eigenrisicodrager wegens onvoldoende re-integratie niet gehandhaafd
Appellante, een eigenrisicodrager, kreeg een ziekengeldsanctie opgelegd door het Uwv wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een werkneemster die uitviel wegens psychische klachten. De werkneemster was fysiotherapeut en viel in juni 2014 uit. Het dienstverband eindigde op 31 januari 2015. Het Uwv stelde op basis van een arbeidskundig rapport dat appellante onvoldoende had gere-integreerd in het eerste spoor, waarna een ziekengeldsanctie werd opgelegd.
Appellante maakte bezwaar en bracht een arbeidsdeskundig rapport in dat stelde dat passend werk niet mogelijk was. De Bezwaar Landelijke Loonsanctie Commissie (BLLC) adviseerde dat de sanctie gehandhaafd moest worden als het Uwv aannemelijk kon maken dat er na januari 2015 reële herplaatsingsmogelijkheden waren. Later concludeerde een arbeidsdeskundige dat er herplaatsingsmogelijkheden waren in het eigen werk van fysiotherapeut.
De Raad oordeelt echter dat deze conclusie onvoldoende onderbouwd is. Uit medische rapporten van de bedrijfsarts blijkt dat de werkneemster na januari 2015 niet geschikt was voor haar eigen werk en pas medio 2016 herstel werd verwacht. Er zijn geen aanwijzingen dat uitbreiding van arbeidsuren in het eigen werk stellig te verwachten was. Daarom mist de opgelegde ziekengeldsanctie de vereiste onderbouwing en moet deze worden herroepen. De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en het besluit van het Uwv en heropent het onderzoek voor een mogelijke schadevergoeding.
Uitkomst: De ziekengeldsanctie wordt herroepen wegens onvoldoende onderbouwing van reële herplaatsingsmogelijkheden na januari 2015.