ECLI:NL:CRVB:2019:2125

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juni 2019
Publicatiedatum
2 juli 2019
Zaaknummer
17/4270 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 54, eerste lid, ParticipatiewetArt. 54, vierde lid, ParticipatiewetArt. 8:57, derde lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking AIO-aanvulling wegens niet verstrekken CIN-nummer

Appellant ontving een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO) naast een onvolledig ouderdomspensioen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) voerde tussen 2013 en 2019 gefaseerd onderzoek uit naar de rechtmatigheid van deze AIO-aanvulling, waarbij jaarlijks formulieren werden verstuurd aan AIO-gerechtigden.

In 2016 werd appellant verzocht het CIN-nummer te verstrekken voor een vervolgonderzoek naar vermogen in Marokko. Appellant weigerde dit, waarna de Svb het recht op AIO-aanvulling opschortte en later introk wegens schending van de medewerkingsplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek discriminerend was en dat het opvragen van het CIN-nummer in strijd was met artikel 8 EVRM Pro. De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin deze gronden zijn verworpen en oordeelt dat de Svb bevoegd was het recht op AIO-aanvulling op te schorten en in te trekken. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de AIO-aanvulling wegens het niet verstrekken van het CIN-nummer wordt bevestigd.

Uitspraak

17.4270 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
4 mei 2017, 16/6365 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 11 juni 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F. Ben-Saddek, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft de Raad bij brief van 29 januari 2019 desgevraagd laten weten dat de uitspraken van 28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2702, en 26 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:806, waarin vergelijkbare zaken als de onderhavige aan de orde waren, geen aanleiding vormen voor een wijziging van het door appellant in hoger beroep ingenomen standpunt.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving ten tijde in geding, in aanvulling op een onvolledig ouderdomspensioen van de Svb, bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO-aanvulling).
1.2.
De Svb voert in de periode 2013 tot en met 2019 gefaseerd een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de AIO-aanvulling van alle AIO-gerechtigden. Hiertoe stuurt de Svb jaarlijks aan ruim 7.000 AIO-gerechtigden het formulier “Verblijf en vermogen buiten Nederland” (formulier) toe. De controle was in 2013 gericht op in Suriname geboren
AIO-gerechtigden, in 2014 op AIO-gerechtigden met als geboorteland Marokko, in 2015 op AIO-gerechtigden die in Turkije zijn geboren en van 2016 tot en met 2018 is de controle gericht op de overige in het buitenland geboren AIO-gerechtigden. In 2019 richt de controle zich op de in Nederland geboren AIO-gerechtigden. Elk jaar wordt de controlegroep aangevuld met een kleine steekproef onder specifieke delen van het klantenbestand. De Svb heeft steeds na het toesturen van het formulier nader onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de verleende AIO-aanvulling van AIO-gerechtigden die het formulier niet hadden teruggestuurd, alsmede van AIO-gerechtigden die het formulier wel hadden teruggestuurd en het formulier daartoe aanleiding gaf.
1.3.
In het kader van het onder 1.2 genoemde onderzoek is aan appellant in verband met een vervolgonderzoek bij brief van 25 februari 2016 verzocht het zogenoemde CIN-nummer te overleggen. Bij brief van 30 maart 2016 heeft appellant verklaard niet aan dit verzoek gehoor te willen geven. Bij besluiten van 20 april 2016 en 20 mei 2016 heeft de Svb het recht op AIO-aanvulling van appellant opgeschort respectievelijk ingetrokken. Aan deze besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant zijn medewerkingsverplichting heeft geschonden door niet binnen de bij het besluit van
20 april 2016 gegeven hersteltermijn zijn CIN-nummer te verstrekken. Dit nummer was nodig om een onderzoek te starten naar eventueel vermogen in Marokko.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De beroepsgronden komen neer op het volgende. Het door de Svb uitgevoerde onderzoek levert strijd op met het verbod op discriminatie. Het opvragen van het CIN-nummer levert strijd op met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Appellant stelt voorts dat het op de weg van de Svb ligt om nader bewijs aan te leveren dat dit nummer daadwerkelijk noodzakelijk is voor onderzoek naar vermogen in Marokko.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor zover appellant heeft betoogd dat het onderzoek van de Svb discriminatoir is, slaagt dit betoog niet. Hierbij wordt volstaan met verwijzing naar de uitspraak van
28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2702. Het betoog van appellant dat het opvragen van het CIN-nummer in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM slaagt onder verwijzing naar de uitspraak van 26 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:806, evenmin. Appellant heeft, hoewel hiertoe uitgenodigd, geen andere gronden aangevoerd dan gelijkluidend aan de gronden die de Raad heeft beoordeeld en verworpen in de hiervoor genoemde uitspraken. Geen grond bestaat om in deze procedure tot een ander oordeel te komen.
4.2.
In de onder 4.1 genoemde uitspraak van 26 maart 2018 heeft de Raad in rechtsoverweging 4.5.4 gemotiveerd waarom hij het standpunt van de Svb, dat het
CIN-nummer nodig is voor het doen van een (vervolg-) onderzoek in Marokko, volgt. Dat de Svb dit standpunt met nader bewijs dient te ondersteunen, is, anders dan appellant betoogt, daarom niet noodzakelijk. Dit betekent dat ook in het onderhavige geval appellant, door zijn CIN-nummer niet over te leggen, onvoldoende medewerking heeft verleend aan een (vervolg-) onderzoek naar vermogen in Marokko en dat de Svb bevoegd was om met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW het recht op AIO-aanvulling op te schorten en, na het verstrijken van de geboden hersteltermijn, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW in te trekken.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van
R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
11 juni 2019.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) R.B.E. van Nimwegen