ECLI:NL:CRVB:2019:215
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde WAO-uitkering bij onvoldoende bewijs toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, sinds 1999 WAO-gerechtigd, verzocht in 2014 om herziening van zijn WAO-uitkering wegens vermeende toename van arbeidsongeschiktheid na een TIA en CVA. Het UWV herzag in 2010 de uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. Na medisch onderzoek en beoordeling door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd geconcludeerd dat er geen toename van beperkingen was ten opzichte van 2010.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de verslechteringen niet objectief werden vastgesteld en het UWV zorgvuldig rekening had gehouden met medische informatie van onder meer een neuroloog en huisarts. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stelling dat zijn beperkingen, vooral nekklachten, werden onderschat.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig was en dat de medische gegevens geen aanleiding gaven tot een andere beoordeling. Het advies van een arts na de datum in geding kon niet worden meegewogen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De WAO-uitkering blijft ongewijzigd berekend op 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid wegens ontbreken van bewijs voor toename van beperkingen.