ECLI:NL:CRVB:2019:2150
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds januari 2003 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Na het bereiken van de meerderjarigheid van haar jongste kind trok de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de uitkering per 1 mei 2015 in, omdat zij volgens een medisch advies van het UWV niet meer dan 45% arbeidsongeschikt zou zijn.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt is vanwege een ernstige psychiatrische stoornis, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel na een zorgvuldig medisch onderzoek door een verzekeringsarts en psychiater van het UWV, waarbij geen objectieve aanwijzingen voor een ernstige psychiatrische stoornis werden gevonden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij lijdt aan een chronische depressie en dat de gevonden functies niet passend zijn, en verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd was, dat appellante geen nieuwe medische stukken had overgelegd die twijfel rechtvaardigen en dat benoeming van een deskundige niet nodig was.
De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn en dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is, waardoor het bestreden besluit terecht is genomen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op nabestaandenuitkering omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt is.