ECLI:NL:CRVB:2019:2154
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van terugvordering en invordering WW-uitkering met kosten zonder toekenning kostenvergoeding
Appellant ontving vanaf oktober 2014 een WW-uitkering. Het UWV herzag deze uitkering per 2 mei 2016 en vorderde een bedrag van bruto €275,50 terug wegens onverschuldigde betalingen. De rechtbank verklaarde eerdere beroepen van appellant ongegrond en bevestigde de rechtmatigheid van de terugvordering en invordering.
Appellant stelde hoger beroep in tegen twee besluiten van het UWV: het besluit tot invordering van €174,82 netto en het besluit om maandelijks €141,25 in te houden ter verrekening van de openstaande vordering, inclusief €7 aanmaningskosten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de besluiten rechtens onaantastbaar zijn en dat appellant geen inhoudelijke gronden tegen de hoogte van de invordering had aangevoerd.
De Raad bevestigde dat het niet retourneren van het inkomens- en vermogensonderzoek door appellant geen reden was om het beroep gegrond te verklaren. Ook wees de Raad het verzoek om een kostenvergoeding af, omdat het bezwaar terecht ongegrond was verklaard. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd en de hoger beroepen werden verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en invordering van de WW-uitkering inclusief aanmaningskosten en wijst het hoger beroep en verzoek om kostenvergoeding af.