ECLI:NL:CRVB:2019:2157
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en juiste functionele mogelijkhedenlijst
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en concludeerde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering ontstond.
In bezwaar en beroep werden aanvullende beperkingen opgenomen, maar dit leidde niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen en geselecteerde functies juist waren vastgesteld. De rechtbank wees het beroep af.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar leverde geen nieuwe medische informatie aan die het oordeel van het UWV kon ondermijnen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere overwegingen en bevestigde de uitspraak dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.