ECLI:NL:CRVB:2019:2188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op BRP-adres
Appellant ontving studiefinanciering als uitwonende student vanaf 1 januari 2016, terwijl hij sinds oktober 2015 in de basisregistratie personen (BRP) stond ingeschreven op een bepaald adres. Op 18 oktober 2016 voerden controleurs een onderzoek uit naar zijn woonsituatie, waarna de minister de studiefinanciering herzag en appellant vanaf die datum als thuiswonend aanmerkte, met terugvordering van € 2.067,80.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het huisbezoek voldoende feitelijke grondslag bood om te concluderen dat appellant niet op het BRP-adres verbleef. Het ontbreken van persoonlijke spullen en onvoldoende onderbouwde verklaringen van familieleden werden als doorslaggevend gezien. Foto’s die appellant in beroep aanvoerde, werden niet als bewijs erkend omdat ze niets zeiden over de situatie ten tijde van het onderzoek.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere bezwaren, waaronder het belang van verklaringen van familie en foto’s. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond geen nieuwe feiten die tot een ander oordeel leiden. De Raad benadrukte dat de verklaringen onvoldoende objectief en gedetailleerd waren en dat de foto’s geen aanvullende waarde hadden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, zonder aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van studiefinanciering en het oordeel dat appellant niet op het BRP-adres woonde.