ECLI:NL:CRVB:2019:2255
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig magazijnmedewerkster, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en kreeg aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordelingen stelde het UWV vast dat zij haar oude werk weer kon verrichten en later dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor haar WIA-uitkering werd stopgezet.
Appellante voerde bezwaar en beroep aan tegen deze besluiten, stellende dat haar klachten, waaronder chronische rugpijn, vermoeidheid en depressieve klachten, onvoldoende waren meegewogen. Het UWV baseerde haar besluiten op medisch onderzoek door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, die beperkingen vastlegden in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies passend waren. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere overwegingen en concludeerde dat er geen nieuwe medische informatie was die tot een andere beoordeling zou leiden.
De Raad bevestigde dat appellante in staat is de geselecteerde functies te vervullen en dat de beperkingen in de FML van 29 januari 2016 correct zijn vastgesteld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van haar WIA-uitkering bevestigd.