ECLI:NL:CRVB:2019:2268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf november 1997 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Na het samenwonen met een partner en haar meerderjarige zoon werd het recht op uitkering aanvankelijk beëindigd, maar later weer hervat toen de zoon terugkeerde. In 2007 beëindigde de Sociale verzekeringsbank (Svb) de uitkering definitief vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar partner. Na een foutieve mededeling van de Svb in 2008 dat de uitkering ongewijzigd zou blijven, werd de uitkering toch onterecht voortgezet.
De Svb trok in 2015 de uitkering met terugwerkende kracht in vanaf 2012 en vorderde onverschuldigde betalingen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat vanaf september 2008 sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat het buitenwettelijke beleid van de Svb om de intrekking te matigen juist was toegepast.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding voor onbepaalde tijd geldt en dat appellante terecht werd verweten dat zij had kunnen onderkennen dat de uitkering onterecht werd verleend. De matiging van de intrekking tot de helft van de periode was passend, en er waren geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering en terugvordering van onverschuldigde betalingen worden bevestigd met matiging tot de helft van de periode.