Appellante diende op 16 juli 2012 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering vanwege psychische en rugklachten. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij op haar achttiende verjaardag naar het oordeel van het UWV meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en beroep. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd aangenomen dat appellante slechts beperkte begeleiding nodig had en geschikt was voor bepaalde functies.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen, waaronder een verstandelijke beperking en een laag werktempo, onvoldoende waren erkend en dat zij intensievere begeleiding nodig had. De Raad benoemde twee deskundigen, een psychiater en een psycholoog, die concludeerden dat appellante een licht tot matige verstandelijke ontwikkelingsstoornis heeft en blijvende ondersteuning behoeft. De Raad volgde deze deskundigen en oordeelde dat appellante op haar achttiende meer beperkingen had dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) was aangenomen.
De Raad vernietigde daarom de eerdere uitspraak en het besluit van het UWV en droeg het UWV op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de bevindingen. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met ruim twee jaar was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van €3.000,- aan appellante. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.