ECLI:NL:CRVB:2019:23
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstand voor voorzienbare verhuiskosten
Appellant, die sinds 2014 bijstand ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuiskosten vanwege psychische klachten die verblijf bij zijn moeder onmogelijk maakten. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees deze aanvraag af omdat de verhuizing niet onvoorzien was en de kosten niet uit bijzondere omstandigheden voortvloeiden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat medische noodzaak de verhuizing rechtvaardigde en dat hij onvoldoende inkomen had om te reserveren voor verhuiskosten. De Raad oordeelde dat verhuiskosten in principe uit eigen middelen moeten worden betaald, tenzij bijzondere omstandigheden dit verhinderen.
De Raad stelde vast dat appellant al jaren als woningzoekende stond geregistreerd en de verhuizing dus voorzienbaar was. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat appellant niet had kunnen reserveren of gespreid betalen. De medische noodzaak veranderde hier niets aan. Daarom was geen recht op bijzondere bijstand voor de verhuiskosten. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijzondere bijstand omdat de verhuizing voorzienbaar was en geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.