ECLI:NL:CRVB:2019:2306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens schending inlichtingenverplichting bij bijstandsverlening
Appellant ontving via money transfers aanzienlijke bedragen van in totaal €34.500,- gedurende de bijstandsperiode, welke hij niet heeft gemeld aan het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Dit leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand en uiteindelijk tot een boete wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de boete ongegrond, hetgeen door de Centrale Raad van Beroep bij hoger beroep is bevestigd. Appellant stelde dat hij niet vrijelijk over de bedragen kon beschikken, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt met objectieve en verifieerbare gegevens. De verklaring van zijn zoon was onvoldoende concreet en het bankafschrift uit 2008 bood geen bewijs voor het ontbreken van beschikking over de bedragen.
De Raad oordeelde dat het college terecht een boete oplegde en dat de hoogte van €1.691,16 proportioneel is gezien de ernst van de overtreding en omstandigheden van appellant. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bekrachtigd zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De boete van €1.691,16 wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.