ECLI:NL:CRVB:2019:2348
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellant, voormalig betonboorder, meldde zich ziek met rug-, schouder- en heupklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV maar liet de rechtsgevolgen in stand, waarna appellant hoger beroep instelde.
In hoger beroep herhaalde appellant grotendeels zijn eerdere gronden, waaronder de stelling van een verborgen beperking in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen zorgvuldig waren vastgesteld en dat de belastbaarheid in de geselecteerde functies niet werd overschreden. De Raad verwierp ook de claim dat de belastbaarheid in de functie medewerker magazijn werd overschreden.
Daarnaast behandelde de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De totale procedure duurde ruim vier jaar, wat een overschrijding van ruim vier maanden betekent. De Raad oordeelde dat deze overschrijding niet gerechtvaardigd was en veroordeelde de Staat tot een vergoeding van €500,- aan appellant en tot betaling van de proceskosten.
De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees het verzoek tot schadevergoeding tegen het UWV af, maar kende een vergoeding toe wegens de termijnoverschrijding door de bestuursrechter.
Uitkomst: De Raad bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering en veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.