ECLI:NL:CRVB:2019:2351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens niet tijdige arbeidsongeschiktheid bij alcoholverslaving
Appellant, voormalig exportmedewerker, meldde zich met terugwerkende kracht ziek vanwege alcoholverslaving, maar het UWV weigerde een Ziektewetuitkering toe te kennen omdat de arbeidsongeschiktheid pas vanaf half februari 2013 werd vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij al op 31 januari 2013 was opgenomen of zodanig arbeidsongeschikt was dat hij aanspraak kon maken op de ZW-uitkering met nawerking. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, stellende dat verslaving als ziekte moet worden aangemerkt en dat ook behandeling zonder opname tot arbeidsongeschiktheid kan leiden.
De Raad overwoog dat een verslaving op zich niet als ziekte wordt beschouwd, tenzij deze leidt tot objectiveerbare medische beperkingen of opname. Uit de medische stukken bleek niet dat appellant op 31 januari 2013 al niet kon werken of was opgenomen. De enkele behandeling was onvoldoende om arbeidsongeschiktheid aan te nemen.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de beslissing van het UWV bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.