ECLI:NL:CRVB:2019:2368

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2019
Publicatiedatum
18 juli 2019
Zaaknummer
16/6696 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet tijdig ingediend en niet-ontvankelijk verklaard door Centrale Raad van Beroep

Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) over de hoogte van zijn AOW-pensioen. De rechtbank stelde vast dat het bezwaarschrift te laat was ingediend, omdat het pas op 7 mei 2015 werd ontvangen terwijl de termijn op 1 mei 2015 eindigde. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij het bezwaarschrift op tijd had verstuurd.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij het bezwaarschrift samen met dat van zijn echtgenote op 1 mei 2015 had gepost en dat de rechtbank ten onrechte ambtshalve de ontvankelijkheid had onderzocht. De Raad oordeelde dat de bezwaartermijn van openbare orde is en dat de rechtbank deze ambtshalve mocht toetsen.

De Raad overwoog verder dat de datum van het poststempel leidend is, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de brief eerder is gepost. PostNL bevestigde dat brievenbussen op 4 en 5 mei 2015 niet werden geleegd vanwege feestdagen, waardoor een poststempel van 6 mei 2015 niet uitsluit dat het bezwaarschrift na 1 mei in de brievenbus is gedeponeerd. Appellant slaagde er niet in dit aannemelijk te maken.

Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het bezwaarschrift is niet tijdig ingediend en daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

16.6696 AOW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
15 september 2016, 15/5182 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 17 juli 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.F. Hovestad, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft PostNL nog informatie aan de Raad toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Hovestad. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 20 maart 2015 heeft de Svb aan appellant onder meer medegedeeld dat hij vanaf 18 maart 2015 recht heeft op een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ter hoogte van 80% van het maximale bedrag voor iemand die gehuwd is of samenwoont.
1.2.
Bij brief gedateerd 1 mei 2015 heeft appellant tegen het besluit van 20 maart 2015 bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 13 juli 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft de Svb nadere vragen gesteld ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift. De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat de Svb het bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is daarom gegrond verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en het bezwaar tegen het besluit van 20 maart 2015 is niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift eindigde op 1 mei 2015. Vastgesteld wordt dat op de enveloppe van het bezwaarschrift een poststempel is geplaatst met datum 6 mei 2015 en dat de Svb het bezwaarschrift op 7 mei 2015 heeft ontvangen. De stelling van appellant dat hij het bezwaarschrift op 1 mei 2015 ter post heeft bezorgd, is door hem niet aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat het bezwaarschrift na afloop van de termijn is ingediend. Van omstandigheden die ertoe leiden dat niet-ontvankelijkheidverklaring achterwege dient te blijven, is volgens de rechtbank niet gebleken.
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij zijn bezwaarschrift, samen met dat van zijn echtgenote, op vrijdagmiddag 1 mei 2015 ter post heeft bezorgd. Verder heeft hij betoogd dat de rechtbank ten onrechte ambtshalve de ontvankelijkheid van het bezwaar heeft onderzocht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De bezwaartermijn is van openbare orde. De grief dat de rechtbank de vraag of appellant deze termijn in acht heeft genomen niet ambtshalve heeft mogen onderzoeken en beantwoorden, treft daarom geen doel.
4.2.
Uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 juni 2016,
ECLI:NL:CRVB:2016:2459) volgt dat bij de vaststelling van de dag waarop een brief ter post is bezorgd, uitgegaan wordt van de op de enveloppe geplaatste poststempel, tenzij de verzender aannemelijk maakt dat de brief ter post is bezorgd vóór de datum van afstempeling door het postvervoerbedrijf. De bewijslast hiervoor ligt bij de partij die stelt dat zij het poststuk voor die datum ter post heeft bezorgd (zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Hoge Raad van 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2138).
4.3.
Vastgesteld wordt dat maandag 4 mei 2015 en dinsdag 5 mei 2015 waren gelijkgesteld met een algemeen erkende feestdag. Desgevraagd heeft PostNL te kennen gegeven dat op die data geen brievenbussen zijn geleegd. Volgens PostNL zijn de brievenbussen met brieven die in de brievenbus zijn gedeponeerd na de laatste lichting op 1 mei 2015 en vóór de laatste lichting op 6 mei 2015, pas op 6 mei 2015 geleegd. Die brieven zijn, aldus PostNL, afgestempeld op 6 mei 2015 en bezorgd op 7 of 8 mei 2015.
4.4.
Hieruit volgt dat een poststempel van 6 mei 2015 weliswaar niet uitsluit dat het bezwaarschrift op 1 mei 2015 ter post is bezorgd, maar evenmin uitsluit dat die brief na die datum in de brievenbus is gedeponeerd.
4.5.
Appellant heeft zijn stelling dat hij zijn bezwaarschrift voor het verstrijken van de bezwaartermijn, dus uiterlijk op 1 mei 2015, ter post heeft bezorgd niet onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Zijn enkele verklaring is daarvoor onvoldoende.
4.6.
Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en dat niet is gebleken van omstandigheden die ertoe leiden dat niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven.
4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
lh