ECLI:NL:CRVB:2019:238
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid voor arbeid en recht op ziekengeld volgens Wet WIA
Appellante, voormalig beoordelaar schadeservice, werd door het UWV met ingang van 28 november 2012 als minder dan 35% arbeidsongeschikt beschouwd en geschikt geacht voor functies als machinaal metaalbehandelaar, transportmedewerker en productiemedewerker. Na ziekmelding op 13 februari 2014 wegens lichamelijke en psychische klachten, stelde het UWV op 4 april 2014 vast dat zij geen recht had op ziekengeld. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep stelde appellante dat haar psychiatrische beperkingen en lichamelijke klachten waren onderschat, onderbouwd met rapporten van psycholoog Van Rijn. Het UWV handhaafde haar standpunt met eigen medische rapporten. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige, psychiater Naarding, die in rapporten van juni 2017 en september 2018 concludeerde dat appellante ondanks borderline persoonlijkheidsstoornis en PTSS in staat was de geselecteerde functies te verrichten.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en consistent was en dat de lichamelijke klachten geen belemmering vormden. Het verzoek tot uitstel van de zitting werd afgewezen omdat appellante voldoende gelegenheid had haar standpunten te presenteren. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 4 april 2014 geschikt is voor de geselecteerde functies en geen recht heeft op ziekengeld.