ECLI:NL:CRVB:2019:2381

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2019
Publicatiedatum
19 juli 2019
Zaaknummer
17-6103 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7c AKWArt. 26 KB 746Art. 27 KB 746
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging kinderbijslag wegens niet-verzekering voor de Algemene Kinderbijslagwet na 18e verjaardag jongste kind

Appellant, woonachtig in Marokko, ontving kinderbijslag voor zes kinderen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde de kinderbijslag met ingang van het eerste kwartaal van 2016 omdat appellant vanaf 1 januari 2006 niet meer verzekerd was voor de AKW.

Volgens de overgangsregeling bleef het recht op kinderbijslag behouden zolang het jongste kind waarvoor op 31 december 1999 recht bestond, nog geen 18 jaar was. Het jongste kind werd in 2015 18 jaar, waarna de kinderbijslag werd stopgezet. Appellant stelde in hoger beroep dat hij nog steeds verzekerd was en zijn kinderen naar school gingen, maar dit verweer werd verworpen.

De Raad oordeelde dat op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 en artikel 7c AKW appellant vanaf 1 januari 2006 niet meer verzekerd was, maar nog recht had op kinderbijslag zolang aan de voorwaarden werd voldaan. Nu het jongste kind 18 jaar werd, verviel dit recht en was de beëindiging terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de kinderbijslag terecht is beëindigd vanaf het eerste kwartaal van 2016.

Uitspraak

17.6103 AKW

Datum uitspraak: 8 juli 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
26 juli 2017, 16/6922 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2019. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.J.A. Erkens-Hanssen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant woont in Marokko en ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Hij heeft voor zijn kinderen [A] , [B] , [C] , [D] , [E] en [F] , geboren op respectievelijk [datum 1] 1997, [datum 2] 2000,
[datum 3] 2001, [datum 4] 2003, [datum 5] 2008 en [datum 6] 2013, kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen.
1.2.
Bij besluit van 24 februari 2016 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van het eerste kwartaal van 2016 geen kinderbijslag meer krijgt.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 26 september 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 februari 2016 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant op grond van de overgangsregeling na 1 januari 2000 verzekerd is gebleven voor de AKW, zolang het jongste kind waarvoor hij over het vierde kwartaal van 1999 recht had op kinderbijslag nog geen 18 jaar is. Nu [A] , het jongste kind waarvoor appellant op de dag vóór 1 januari 2000 kinderbijslag kreeg, op [datum 1] 2015 18 jaar is geworden, is appellant vanaf het eerste kwartaal van 2016 niet meer verzekerd voor de AKW.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de Svb het recht op kinderbijslag voor zijn kinderen niet had mogen beëindigen omdat appellant verzekerd is voor de AKW, zijn kinderen nog steeds naar school gaan en appellant geen andere inkomsten ontvangt.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Het oordeel van de rechtbank wordt volledig onderschreven. Op grond van artikel 26 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) was appellant tot 1 januari 2000 verzekerd voor de AKW. Daarna was hij, tot 1 januari 2006, doorlopend verzekerd voor de AKW op basis van artikel 27 van Pro KB 746. Per 1 januari 2006 is artikel 27 van Pro KB 746 vervallen en is de rechtspositie van appellant, wat betreft de AKW, geregeld in artikel 7c van de AKW. In dit artikel is, voor zover van belang, bepaald dat degene die op grond van artikel 27 van Pro KB 746 doorlopend verzekerd was tot 1 januari 2006 én toen ook nog recht had op kinderbijslag, dit recht behoudt zolang het jongste kind voor wie de betrokkene op 31 december 1999 recht had op kinderbijslag, de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.
4.2.
Hieruit volgt dat appellant vanaf 1 januari 2006 niet meer verzekerd was voor de AKW, maar dat hij, zolang hij aan de voorwaarden hiervoor voldeed, nog wel recht had op kinderbijslag. Vanaf de datum waarop [A] 18 jaar werd, voldeed appellant niet meer aan de voorwaarden, zodat de Svb de kinderbijslag terecht heeft beëindigd.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Benek in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2019.
(getekend) H. Benek
(getekend) J. Smolders
lh