ECLI:NL:CRVB:2022:1667

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2022
Publicatiedatum
29 juli 2022
Zaaknummer
21/3797 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 7c AKWArt. 26 Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening uitspraak kinderbijslag afgewezen wegens onredelijke termijn

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een uitspraak van 8 juli 2019, waarin het recht op kinderbijslag voor hem, wonende in Marokko, met ingang van het eerste kwartaal van 2016 was beëindigd. De beëindiging was gebaseerd op het feit dat het jongste kind waarvoor kinderbijslag werd ontvangen op 31 december 1999 de leeftijd van achttien jaar had bereikt in 2015.

De Raad overwoog dat de rechtspositie van verzoeker met betrekking tot de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) was geregeld in artikel 7c van de AKW, en dat het recht op kinderbijslag eindigde toen het jongste kind 18 jaar werd. Verzoeker stelde dat hij voor zijn jongere kinderen nog kinderbijslag wilde ontvangen omdat zij nog schoolgaand zijn en hij de kosten niet kan dragen.

De Raad beoordeelde het verzoek om herziening aan de hand van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en de jurisprudentie van de Raad. Omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden (nova) waren gesteld en het verzoek meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak was ingediend, werd het verzoek als onredelijk laat beschouwd.

Daarom werd het verzoek om herziening niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. De uitspraak werd gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier E.J. van der Veldt, op 14 juli 2022.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak over kinderbijslag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke termijnoverschrijding.

Uitspraak

21/3797 AKW
Datum uitspraak: 14 juli 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 8 juli 2019, 17/6103 AKW
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] , Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft bij brief van 30 september 2021 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 8 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2381.
De Svb heeft een reactie ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2022. Partijen zijn daarbij niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. In de uitspraak van 8 juli 2019 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2017, 16/6922, bevestigd. De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat de Svb het recht op kinderbijslag voor verzoeker wonende te Marokko met ingang van het eerste kwartaal van 2016 heeft beëindigd. Op grond van artikel 26 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) was appellant tot 1 januari 2000 verzekerd voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Daarna was hij, tot 1 januari 2006, doorlopend verzekerd voor de AKW op basis van artikel 27 van Pro KB 746. Per 1 januari 2006 is artikel 27 van Pro KB 746 vervallen en is de rechtspositie van appellant, wat betreft de AKW, geregeld in artikel 7c van de AKW. In dit artikel is, voor zover van belang, bepaald dat degene die op grond van artikel 27 van Pro KB 746 doorlopend verzekerd was tot 1 januari 2006 én toen ook nog recht had op kinderbijslag, dit recht behoudt zolang het jongste kind voor wie de betrokkene op 31 december 1999 recht had op kinderbijslag, de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt. Hieruit volgt dat appellant vanaf 1 januari 2006 niet meer verzekerd was voor de AKW, maar dat hij, zolang hij aan de voorwaarden hiervoor voldeed, nog wel recht had op kinderbijslag. Voor [naam] , het jongste kind voor wie verzoeker op 31 december 1999 kinderbijslag ontving, bestond vanaf het eerste kwartaal van 2016 geen recht meer, omdat dit kind op [geboortedatum] 2015 achttien jaar is geworden. Vanaf die datum voldeed appellant niet meer aan de voorwaarden om recht op kinderbijslag te kunnen hebben, zodat de Svb de kinderbijslag terecht met ingang van het eerste kwartaal van 2016 voor alle kinderen heeft beëindigd. Dit zijn de kinderen die zijn geboren na 1 januari 2000.
2. Verzoeker heeft verzocht voor zijn jongere kinderen kinderbijslag toe te kennen, omdat zij nog schoolgaand zijn en hij de kosten voor hen niet kan voldoen.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Gelet op de uitspraken van de Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4060, moet in het belang van de rechtseenheid voorop worden gesteld, dat van degene die om herziening vraagt van een uitspraak mag worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.3.
Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten en omstandigheden (nova) dan wel, indien geen nova zijn gesteld, als het is ingediend meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.
3.4.
De hiervoor in 3.3 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 3.3 vermelde termijn van één jaar gebonden.
3.5.
In deze zaak, die geen betrekking heeft op een uitspraak over een bestuurlijke boete, zijn bij het herzieningsverzoek geen nova gesteld en is het herzieningsverzoek meer dan één jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht ingediend. Daarom moet worden geoordeeld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend. Het verzoek zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2022.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) E.J. van der Veldt

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale),
statue :
Déclare la requête de révision non recevable.
Par conséquent, décidée pas M. Wolfrat en présence de E.J. van der Veldt em qualité, ainsi que prononcée en public, le 14 Juillet 2022.