ECLI:NL:CRVB:2022:1667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek om herziening uitspraak kinderbijslag afgewezen wegens onredelijke termijn
Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een uitspraak van 8 juli 2019, waarin het recht op kinderbijslag voor hem, wonende in Marokko, met ingang van het eerste kwartaal van 2016 was beëindigd. De beëindiging was gebaseerd op het feit dat het jongste kind waarvoor kinderbijslag werd ontvangen op 31 december 1999 de leeftijd van achttien jaar had bereikt in 2015.
De Raad overwoog dat de rechtspositie van verzoeker met betrekking tot de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) was geregeld in artikel 7c van de AKW, en dat het recht op kinderbijslag eindigde toen het jongste kind 18 jaar werd. Verzoeker stelde dat hij voor zijn jongere kinderen nog kinderbijslag wilde ontvangen omdat zij nog schoolgaand zijn en hij de kosten niet kan dragen.
De Raad beoordeelde het verzoek om herziening aan de hand van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en de jurisprudentie van de Raad. Omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden (nova) waren gesteld en het verzoek meer dan een jaar na de datum van openbaarmaking van de uitspraak was ingediend, werd het verzoek als onredelijk laat beschouwd.
Daarom werd het verzoek om herziening niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. De uitspraak werd gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier E.J. van der Veldt, op 14 juli 2022.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak over kinderbijslag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onredelijke termijnoverschrijding.