Appellant, een werknemer die sinds 1997 werkzaam was bij een werkgever, viel in april 2013 uit en vroeg in februari 2015 een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering op grond van voldoende re-integratie-inspanningen door de werkgever, die zich richtten op het tweede spoor. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing en stelde dat de re-integratie onvoldoende was, onder meer vanwege een mislukte opleiding CAD-tekenaar en onvoldoende onderzoek naar alternatieve functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische situatie correct was beoordeeld en de re-integratie-inspanningen voldoende waren. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het tweede spoortraject adequaat en goed onderbouwd was, en dat het falen van de opleiding niet aan de werkgever kon worden toegerekend.
Verder werd het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens het niet opleggen van een loonsanctie afgewezen. Wel werd een schadevergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bestuursrechtelijke procedure, aangezien de totale duur van de procedure iets meer dan vier jaar bedroeg, wat de redelijke termijn overschreed.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit van het UWV en wees het verzoek om vergoeding van schade wegens het niet opleggen van een loonsanctie af, terwijl de Staat werd veroordeeld tot betaling van €500 wegens de termijnoverschrijding.