ECLI:NL:CRVB:2019:2391
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening inzake WIA-uitkering niet-ontvankelijk wegens ontbreken materiële connexiteit
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV inzake haar WIA-uitkering en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Het UWV had haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 57,99%, wat leidde tot een WGA-uitkering. Verzoekster betoogde dat haar beperkingen te laag waren ingeschat en vroeg om een voorlopige voorziening om een hogere uitkering te ontvangen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet ontvankelijk is omdat het niet voldoet aan het materiële connexiteitsvereiste. De bodemprocedure betrof de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid per 16 augustus 2017, terwijl de voorlopige voorziening betrekking had op besluiten met een andere ingangsdatum (16 augustus 2019). Hierdoor was er geen inhoudelijk verband tussen het verzoek en het bestreden besluit.
Hoewel verzoekster stelde dat zij door de lagere uitkering in financiële nood verkeerde, achtte de Raad dit onvoldoende om het materiële connexiteitsvereiste te doorbreken. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van materiële connexiteit.