ECLI:NL:CRVB:2019:2396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor doorbetaling vaste lasten tijdens detentie wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant, die sinds 2012 bijstand ontvangt, verbleef vanaf 31 augustus 2015 in detentie. Hij vroeg bijzondere bijstand aan voor de doorbetaling van vaste lasten zoals huur, energie en zorgverzekering. Het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee wees deze aanvraag af op grond van de Participatiewet (PW), omdat bijstand tijdens detentie in principe niet wordt verleend en er geen sprake was van zeer dringende redenen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het niet verstrekken van bijzondere bijstand zou leiden tot ontruiming van zijn woning na detentie, waardoor hij in psychische nood verkeerde en zelfs opgenomen werd in een psychiatrisch ziekenhuis. Ook stelde hij dat hij eerder onder het toenmalige beleid wel bijzondere bijstand ontving tijdens detentie.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een acute noodsituatie zoals vereist voor zeer dringende redenen. De psychische problemen werden niet met medische verklaringen onderbouwd en de dreiging van woningontruiming betrof geen acute situatie ten tijde van de aanvraag. Bovendien hanteert het college sinds de inwerkingtreding van de PW geen buitenwettelijk begunstigend beleid meer. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor doorbetaling van vaste lasten tijdens detentie wordt afgewezen wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.