ECLI:NL:CRVB:2019:2397
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijzondere bijstand woonkostentoeslag vanwege draagkracht
Appellant ontving bijzondere bijstand voor woonkosten, toegekend vanaf april 2013. Het college trok deze bijstand per 1 januari 2016 in vanwege voldoende draagkracht en vorderde teveel betaalde bedragen terug. Na bezwaar verklaarde het college het bezwaar gegrond en beperkte de intrekking tot 1 mei 2016, waarbij terugvordering werd ongedaan gemaakt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college terecht de woonkostentoeslag had ingetrokken. De rechtbank overwoog dat het college conform het beleid had gehandeld, dat het vertrouwensbeginsel geen voortzetting van de toeslag rechtvaardigt en dat de intrekking niet in strijd is met artikel 1 EVRM Pro, ook niet zonder overgangstermijn.
In hoger beroep stelde appellant dat de intrekking onterecht was en dat het college een overgangstermijn had moeten bieden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die het oordeel van de rechtbank ondermijnen en bevestigde de uitspraak. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijzondere bijstand voor woonkosten per 1 mei 2016 wordt bevestigd zonder overgangstermijn.