ECLI:NL:CRVB:2016:946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken geldige verblijfstitel na intrekking verblijfsvergunning
Appellante, een Nigeriaanse burger, ontving sinds september 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na aangifte van mensenhandel kreeg zij een tijdelijke verblijfsvergunning, die in 2012 werd ingetrokken. Haar aanvraag voor voortgezet verblijf werd afgewezen en dit werd bevestigd door rechtbank en Raad van State.
Het college trok de bijstand per 22 augustus 2013 in wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel. Na bezwaar werd de intrekking met terugwerkende kracht tot 3 oktober 2013 gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat appellante op 3 oktober 2013 geen rechtmatig verblijf had volgens de WWB, waardoor zij geen recht op bijstand had. Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel en het eigendomsrecht werd verworpen, mede omdat het onderscheid in bijstandsverlening voortvloeit uit bewuste wettelijke keuzes en er geen sprake was van een individuele, buitensporige last. Ook het beroep op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens faalde.
De Raad bevestigde daarmee de intrekking van de bijstand en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.