ECLI:NL:CRVB:2019:2400
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek door UWV
Appellant, werkzaam als medewerker schoonmaak, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat appellant per 10 oktober 2016 geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid en beëindigde het recht op ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en het ingebrachte arbeidsmedisch rapport onvoldoende onderbouwd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten en betoogde dat een arbeidskundig onderzoek noodzakelijk was. De Raad overwoog dat volgens de Ziektewet het recht op ziekengeld afhankelijk is van ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid en dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was. De ingebrachte medische stukken boden geen aanleiding tot twijfel, mede omdat het arbeidsmedisch rapport niet op de datum in geding was gebaseerd en niet onderbouwd was.
Ook nieuw ingebrachte medische stukken waren reeds bekend bij het UWV en boden geen nieuw inzicht. Omdat het een hersteldmelding betrof, was aanvullend arbeidskundig onderzoek niet nodig. Het verzoek van appellant tot benoeming van een onafhankelijk deskundige werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen wordt bevestigd.