ECLI:NL:CRVB:2019:2404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende bijstand en geen ontheffing arbeidsverplichtingen wegens onvoldoende medische gronden
Appellant en appellante vroegen bijstand aan naar de norm voor gehuwden met terugwerkende kracht vanaf augustus 2015, nadat appellant sinds 2004 bijstand ontving als alleenstaande. Het college kende bijstand toe vanaf de datum van melding in juni 2016, en verleende appellant tijdelijke ontheffing van arbeidsverplichtingen op grond van medisch advies. Het bezwaar tegen deze besluiten werd ongegrond verklaard door het college en de rechtbank.
In hoger beroep betoogden appellanten dat de bijstand met terugwerkende kracht moest worden toegekend vanwege onduidelijkheid over het verblijfsrecht van appellante en dat appellante ontheffing van arbeidsverplichtingen moest krijgen wegens medische en psychische problemen. De Raad oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden waren die terugwerkende kracht rechtvaardigen, mede omdat het college niet verantwoordelijk was voor de verblijfsrechtelijke gevolgen en appellanten zelf hadden afgezien van een eerdere aanvraag.
Wat betreft de arbeidsverplichtingen stelde de Raad vast dat appellante geen medische stukken had overgelegd die een volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid aantonen. Ook bleek uit gesprekken dat appellante actief solliciteerde. Voor appellant was het medisch advies dat hij niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, omdat herstel mogelijk is. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend en appellante krijgt geen ontheffing van arbeidsverplichtingen wegens onvoldoende medische onderbouwing.