ECLI:NL:CRVB:2017:3436
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder toepassing individualiseringsbeginsel
Appellant ontving sinds 2004 bijstand en stond ingeschreven op het adres van zijn ouders. Sinds 2 mei 2014 woont ook G, zijn partner met Canadese nationaliteit, op dat adres. G heeft een verblijfsvergunning als gezinslid van appellant. Het college trok de bijstand van appellant per 21 juli 2015 in omdat hij een gezamenlijke huishouding voert met G en daardoor geen zelfstandig subject van bijstand is.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het college de bijstand had moeten continueren op basis van het individualiseringsbeginsel van artikel 18 PW Pro, omdat een aanvraag naar de gehuwdennorm gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht van G. De voorzieningenrechter wees dit af en ook de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
De Raad stelt vast dat appellant en G een gezamenlijke huishouding voeren en dat G recht heeft op bijstand. Hierdoor moet appellant als gehuwd worden aangemerkt en heeft hij ten onrechte bijstand als alleenstaande ontvangen. Het beroep op artikel 18 PW Pro om hiervan af te wijken wordt verworpen omdat dit niet mogelijk is als een van de partners geen bijstand wil aanvragen.
De Raad benadrukt dat de staatssecretaris verantwoordelijk is voor het verblijfsrecht van G en dat het college niet bevoegd is om bijstandsverlening zodanig af te stemmen dat het verblijfsrecht van G wordt beïnvloed. De intrekking van de bijstand is daarom terecht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand aan appellant wordt bevestigd omdat hij geen zelfstandig recht op bijstand heeft vanwege gezamenlijke huishouding.