ECLI:NL:CRVB:2019:2433
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beperking duur algemene bijstand zelfstandigen tot zes maanden niet onredelijk
Appellante vroeg algemene bijstand aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) en werd door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een renteloze lening toegekend voor de periode van 8 augustus 2016 tot en met 31 januari 2017.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Het geschil betrof de redelijkheid van de beperkte duur van de bijstand. Het college motiveerde de termijn vanwege twijfel over de levensvatbaarheid van het bedrijf, ondanks stijgende omzetten, en gaf appellante de kans haar onderneming uit te bouwen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college de duur van de bijstand redelijk heeft vastgesteld en dat het besluit voldoende is gemotiveerd. De stelling van appellante dat het college alleen rekening hield met haar ondernemingsactiviteit sinds september 2015 werd verworpen. Bovendien had appellante na afloop van de periode een aanvraag tot verlenging kunnen indienen, maar dit heeft zij niet gedaan.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de beperking van de duur van de algemene bijstand tot bijna zes maanden niet onredelijk is en wijst het hoger beroep af.