ECLI:NL:CRVB:2019:2440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en huishouden
Appellante ontving sinds november 2015 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot en omdat haar minderjarige zoon tot haar huishouden behoorde. De Sociale verzekeringsbank (Svb) besloot in juni 2016 de uitkering te beëindigen omdat haar zoon niet langer tot haar huishouden behoort en zij niet meer dan 45% arbeidsongeschikt is. Een verzekeringsarts van het UWV stelde vast dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is.
De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 maart 2017 de beperkingen van appellante adequaat weerspiegelt. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat er voldoende passende functies binnen haar belastbaarheid beschikbaar zijn. Appellante stelde in hoger beroep dat haar schouderklachten ernstiger zijn dan vastgesteld en dat zij de voorgestelde functies niet kan vervullen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts heeft in een aanvullend rapport van februari 2019 overtuigend gemotiveerd dat met de klachten en beperkingen voldoende rekening is gehouden. Het operatieverslag dat appellante overlegt, dateert van twee jaar na de relevante periode en geeft geen aanleiding tot een andere beoordeling. De Raad concludeert dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor een nabestaandenuitkering en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.