ECLI:NL:CRVB:2019:2481
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning Wajong-uitkering vanaf datum volledige arbeidsongeschiktheid na verslechtering psychische klachten
Appellante had aanvankelijk een Wajong-uitkering die in 2012 werd beëindigd wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid. Na een toename van haar klachten sinds oktober 2012 en een ernstige verslechtering vanaf juni 2014, meldde zij zich opnieuw voor een uitkering. Het UWV wees dit aanvankelijk af, stellende dat de toename niet binnen vijf jaar na beëindiging van de uitkering was en dat de beperkingen niet waren toegenomen.
In hoger beroep stelde appellante dat de verslechtering al in juni 2014 begon, onderbouwd met een huisartsjournaal en een psychiatrisch expertiserapport. De verzekeringsarts erkende een knikmoment in juni 2014, maar stelde dat de functionele beperkingen gelijk waren gebleven tot opname in februari 2015. De Raad oordeelde echter dat de identieke functionele mogelijkhedenlijst niet strookt met het knikmoment en dat appellante vanaf 24 juni 2014 als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.
De Raad vernietigde de eerdere besluiten en stelde vast dat appellante vanaf 23 juli 2014 recht heeft op een Wajong-uitkering op grond van volledige arbeidsongeschiktheid. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak vervangt daarmee het besluit van 7 maart 2018.
Uitkomst: Appellante heeft vanaf 23 juli 2014 recht op een Wajong-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid.