Appellant was werkzaam via een B.V. en meldde zich op 11 maart 2016 ziek met lichamelijke klachten. Het UWV stelde op 11 juli 2016 vast dat appellant per 18 juli 2016 geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid als meewerkend bedrijfsleider en beëindigde het recht op ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef het medisch oordeel van de verzekeringsarts. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn feitelijke werkzaamheden anders waren dan de maatgevende functie en dat hij feitelijk ijzervlechter was, wat volgens hem niet overeenkwam met een leidinggevende functie.
De Raad oordeelde dat de maatgevende arbeid de functie van meewerkend bedrijfsleider is, gebaseerd op de door appellant zelf verstrekte informatie en dat appellant onvoldoende concrete gegevens had overgelegd om hiervan af te wijken. Het medisch oordeel dat appellant geschikt is voor zijn werkzaamheden werd bevestigd. Het verzoek om een deskundige werd afgewezen omdat alle relevante medische informatie reeds was beoordeeld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.