ECLI:NL:CRVB:2019:2537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functies bij WIA-uitkering
Appellant, voormalig key accountmanager, heeft een WIA-uitkering ontvangen na langdurige arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde in 2016 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 56,17% na bezwaar tegen een eerdere vaststelling van 49,05%. Appellant betwistte deze vaststelling en voerde aan dat zijn beperkingen, met name met betrekking tot zitten en werktijden, zijn onderschat.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de verzekeringsarts zijn eigen oordeel mocht baseren op beschikbare medische gegevens zonder aanvullende informatie van behandelaars op te vragen. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de beperkingen van appellant waren onderschat en achtte de geselecteerde functies medisch geschikt.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en voerde aan dat hij per 17 januari 2018 een IVA-uitkering ontvangt en dat zijn situatie sinds mei 2016 niet is gewijzigd. De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en vond geen aanleiding om het besluit te wijzigen. De Raad bevestigde dat de beperkingen adequaat waren meegenomen en dat de functies passend waren, waardoor het beroep werd afgewezen.
Er werd geen aanleiding gezien voor een schadevergoeding of proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd.