ECLI:NL:CRVB:2019:2540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als begeleider, viel op 14 augustus 2014 uit wegens fysieke klachten. Het UWV weigerde haar per 11 augustus 2016 een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd. In hoger beroep stelde appellante dat het medisch en arbeidskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat haar beperkingen werden onderschat. Zij overlegde een aanvullend medisch rapport en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij alle klachten waren betrokken. Het aanvullende rapport gaf geen aanleiding tot twijfel aan de medische beoordeling. De Raad wees het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige af. Ook de arbeidsdeskundige had adequaat gemotiveerd waarom de geselecteerde functies geschikt waren voor appellante.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat het bestreden besluit, ondanks een aanvankelijke motiveringsgebrek, in hoger beroep toereikend was onderbouwd. De schending van het motiveringsbeginsel werd gepasseerd omdat geen benadeling was vastgesteld. Het hoger beroep werd afgewezen, de aangevallen uitspraak bevestigd en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV heeft terecht vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.