ECLI:NL:CRVB:2019:2543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig magazijn-/heftruckmedewerker, heeft zich ziek gemeld en een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant 13,87% arbeidsongeschikt is en weigerde daarom de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het besluit van het UWV op een deugdelijke medische grondslag berustte.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met verergerde klachten en dat hij de geselecteerde functies niet kon vervullen vanwege concentratieproblemen. Hij overlegde medische rapporten ter onderbouwing. Het UWV handhaafde haar standpunt en de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de klachten na de datum in geding waren ontstaan en dat de beperkingen niet zodanig waren dat het oordeel moest worden aangepast.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant en dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op minder dan 35%. Er is geen grond voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.