ECLI:NL:CRVB:2019:2551
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over mate van arbeidsongeschiktheid onder WIA
Appellant was werkzaam als straler/schilder en meldde zich op 19 oktober 2012 ziek met lichamelijke en later psychische klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant met ingang van 17 oktober 2014 39,60% arbeidsongeschikt is en kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat, mede vanwege lichamelijke klachten aan rug, nek, schouder, enkel en longen, psychische klachten en medicatiegebruik. Hij overhandigde medische stukken waaronder een brief van een psycholoog en psychiater waarin opname en ernst van klachten werden vermeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld.
In hoger beroep herhaalde appellant deze gronden, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de brief van de psycholoog en psychiater in de beoordeling was betrokken. De Raad vond geen aanleiding om de mate van arbeidsongeschiktheid te wijzigen en wees het hoger beroep af.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en zag geen grond voor toewijzing van proceskosten. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 31 juli 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV over 39,60% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.