Uitspraak
17.4387 AAW
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft in 1990 een AAW-uitkering aangevraagd die in 1991 werd geweigerd. In 2016 diende hij een nieuwe aanvraag in, nu op grond van de Wajong, met een medisch rapport waarin volledige arbeidsongeschiktheid werd gesteld. Het UWV beoordeelde deze aanvraag als een verzoek tot herziening van het eerdere besluit en weigerde deze, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven tot herziening.
Appellant voerde in bezwaar aan dat zijn klachten waren verslechterd en dat hij aanspraak maakte op een duuraanspraak. Hij overhandigde een huisartsenjournaal en medische stukken, maar het UWV en de rechtbank oordeelden dat deze gegevens geen nieuwe feiten bevatten die niet reeds bekend waren bij het oorspronkelijke besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het besluit niet zorgvuldig was en dat zijn beperkingen werden onderschat. De Raad overwoog dat het UWV terecht de AAW als grondslag hanteerde en dat de aanvraag van 2016 een herhaling was van de eerdere aanvraag. Er waren geen nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb Pro. Ook was er geen reden een deskundige te benoemen. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AAW-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.