Appellante is sinds 30 december 2011 arbeidsongeschikt en ontvangt een WGA-uitkering. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid in 2015 en 2016 vast op circa 65%. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
De rechtbank Gelderland verklaarde de beroepen van appellante tegen de vaststellingen ongegrond. Zij oordeelde dat het UWV een volledig en zorgvuldig medisch onderzoek had verricht, waarbij alle klachten van appellante, zoals vermoeidheid en concentratieproblemen, waren betrokken. De verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen concludeerden dat appellante geschikt is voor passend licht fysiek werk tot 20 uur per week.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze beoordeling en stelt vast dat de FML’s adequaat rekening houden met de fysieke beperkingen. De Raad wijst ook het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente af en bevestigt de aangevallen uitspraken. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.