ECLI:NL:CRVB:2019:2576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering vertrekstimuleringspremie wegens ontbreken redelijke verhouding met organisatierendement
Appellante was werkzaam als docent met een specifieke gedragswetenschappelijke expertise binnen de politie en vroeg om een vertrekstimuleringspremie bij haar eervol ontslag. De korpschef weigerde deze premie omdat het vertrek van appellante niet bijdroeg aan het verminderen van overbezetting, gezien de noodzaak om haar specifieke expertise te vervangen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de korpschef de premie in redelijkheid mocht weigeren vanwege het ontbreken van een redelijke verhouding tussen de premie en het rendement voor de organisatie. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd afgewezen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukte dat de bevoegdheid tot het toekennen van de premie discretionair is en dat het bestuursorgaan een belangenafweging moet maken tussen het dienstbelang en het persoonlijk belang van de ambtenaar. De Raad concludeerde dat de korpschef terecht de premie heeft geweigerd en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De korpschef mocht de vertrekstimuleringspremie weigeren wegens het ontbreken van een redelijke verhouding met het rendement voor de organisatie.