ECLI:NL:CRVB:2019:2595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid WIA-functies en motivering UWV-besluit in hoger beroep
Betrokkene was tot mei 2012 conciërge en meldde zich in oktober 2012 ziek met psychische klachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering omdat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht en geschikt voor diverse functies. Na een nieuwe ziekmelding in januari 2015 beëindigde het UWV de Ziektewet-uitkering per 18 mei 2015, omdat betrokkene medisch geschikt werd geacht voor de geselecteerde WIA-functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene tegen dit besluit gegrond, omdat het UWV onvoldoende informatie had opgevraagd bij de behandelend psychiater, waardoor de besluitvorming onvoldoende zorgvuldig zou zijn. Het UWV ging in hoger beroep en voerde aan dat aanvullende brieven van de psychiater de vragen van de rechtbank beantwoordden.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die concludeerde dat betrokkene op de datum in geding een matige eenmalige depressieve stoornis had, zonder ernstige depressie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigde dat betrokkene geen forse beperkingen had die het vervullen van de geselecteerde functies in de weg stonden. De Raad oordeelde dat het UWV zich terecht op dit standpunt stelde en dat de motivering van het bestreden besluit met aanvullende toelichting voldoende was.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het UWV ongegrond. De proceskosten werden aan het UWV opgelegd. De schending van de motiveringsplicht werd gepasseerd omdat betrokkene daardoor niet benadeeld was en het besluit met dezelfde uitkomst zou zijn genomen.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.