Appellanten ontvingen bijstand sinds 2006 en werden in het kader van een themacontrole onderzocht op bezit van onroerende zaken in Turkije. Het college beëindigde en trok de bijstand in op grond van het bezit van landbouwpercelen met een getaxeerde waarde van ruim €54.000, wat boven de vermogensgrens lag.
Appellanten voerden aan dat het onderzoek discriminerend was en dat de waarde van de percelen veel lager was dan door het college gesteld. De Raad oordeelde dat de themacontrole niet discriminerend was omdat ook andere landen en bijstandsgerechtigden werden onderzocht. Wel stelde de Raad vast dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde van de percelen boven de vermogensgrens lag, mede door tegenstrijdige taxatierapporten.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beval het college een nieuwe beslissing te nemen met een deugdelijke motivering. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellanten.