ECLI:NL:CRVB:2019:2626
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor andere functies ondanks oogklachten
Appellante, voormalig filiaalmanager, meldde zich ziek met pijn-, vermoeidheids- en psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling werd haar uitkering beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen met andere functies. Later meldde zij zich opnieuw ziek met oogklachten, waarna het UWV haar geschikt achtte voor de functie van wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur en de uitkering stopzette.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar oogklachten haar ongeschikt maken voor de genoemde functie. De Raad concludeert dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen door siccaklachten en oogproblemen voldoende heeft gemotiveerd en dat deze geen belemmering vormen voor de geselecteerde functies.
De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat het UWV terecht de uitkering heeft beëindigd, omdat appellante geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd die haar stellingen ondersteunen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellante geschikt is voor andere functies ondanks haar oogklachten.