ECLI:NL:CRVB:2015:293
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor werk volgens WAO-beoordeling
Appellante ontving sinds 7 februari 2000 een WAO-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke in 2005 werd ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Na ziekmelding in augustus 2010 werd haar een Ziektewetuitkering toegekend. Het UWV beëindigde deze uitkering per 28 februari 2011 op basis van een rapport van een verzekeringsarts, waarin werd geconcludeerd dat appellante geschikt was voor ten minste één van de in 2005 geduide functies.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Utrecht bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het medisch oordeel zorgvuldig was heroverwogen en dat er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen van appellante werden onderschat. In hoger beroep stelde appellante dat de functies niet passend waren vanwege medische redenen en het vereiste opleidingsniveau, en verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat de medische rapportages voldoende grondslag boden voor het oordeel dat appellante geschikt was voor ten minste één van de in 2005 geselecteerde functies. De Raad vond geen aanleiding voor nader deskundig onderzoek en bevestigde dat de passendheid van de functies in het kader van de Ziektewet niet ter discussie stond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante wordt beëindigd omdat zij geschikt is voor ten minste één van de in 2005 geduide functies.