ECLI:NL:CRVB:2019:2631
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Greebe
- T. Dompeling
- W.R. van de Velde
- Rechtspraak.nl
Geen arbeidsovereenkomst tussen appellant en bedrijf 1, geen werknemer in de zin van de WW
Appellant heeft een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend wegens werkloosheid uit een gesteld dienstverband met bedrijf 1. Het Uwv weigerde de uitkering omdat geen arbeidsovereenkomst bestond. Appellant stelde dat wel sprake was van een arbeidsovereenkomst en een gezagsverhouding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant als zelfstandige handelde, met een eigen eenmanszaak en eigen auto, en dat geen gezagsverhouding bestond. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zijn argumenten voor het bestaan van een dienstverband niet heeft meegewogen.
De Raad overwoog dat voor een arbeidsovereenkomst een verplichting tot persoonlijke arbeid, loonbetaling en gezagsverhouding vereist is. De overgelegde overeenkomst ontbrak essentiële onderdelen en was gesloten tussen bedrijven, niet tussen appellant en bedrijf 1. De feitelijke invulling toonde geen gezagsverhouding. Appellant maakte dit niet aannemelijk.
De Raad concludeert dat appellant geen werknemer is in de zin van de WW en bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Appellant is geen werknemer in de zin van de WW en heeft geen recht op WW-uitkering.