ECLI:NL:CRVB:2019:2669
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening Ziektewetbesluit na hartklachten appellant
Appellant, voormalig inkoper, meldde zich in 2013 ziek met psychische klachten en kreeg een Ziektewetuitkering die in oktober 2014 werd beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. In 2016 kreeg appellant een hartstilstand en meldde zich met terugwerkende kracht ziek vanaf november 2014, stellende dat zijn klachten toen al door hartproblemen werden veroorzaakt.
Het UWV handhaafde het besluit dat appellant toen niet arbeidsongeschikt was, omdat de medische gegevens geen aanleiding gaven het eerdere oordeel te herzien. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat medische rapporten en cardiologische informatie zijn klachten destijds onvoldoende weerspiegelen.
De Raad oordeelde dat ondanks aanwijzingen voor een langdurige hartaandoening, de belastbaarheid van appellant in 2014 niet zodanig was dat hij zijn werk niet kon doen. De medische beoordeling van het UWV was zorgvuldig en er was onvoldoende reden om het besluit te herzien. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV wordt bevestigd.