ECLI:NL:CRVB:2019:2691
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen
Appellant ontving bijstand vanaf januari 2014 en werd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam teruggevorderd wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening in de periode februari 2014 tot en met augustus 2016. Het college stelde dat deze stortingen als inkomsten moesten worden beschouwd, waardoor appellant ten onrechte bijstand ontving.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het om geleend geld ging dat hij had terugbetaald, en dat de terugstortingen op zijn rekening niet als inkomsten mochten worden gezien. De Centrale Raad van Beroep verwierp deze argumenten, verwijzend naar vaste rechtspraak waarin kasstortingen en bijschrijvingen in beginsel als middelen en inkomsten worden beschouwd, ook als het om leningen gaat.
Daarnaast kon appellant niet aannemelijk maken dat de stortingen rechtstreeks verband hielden met eerdere opnames, wat noodzakelijk is om deze niet als inkomsten te kwalificeren. Ook de berekening van het terug te vorderen bedrag werd door appellant niet betwist. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van € 23.250,- bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen als inkomsten.