ECLI:NL:CRVB:2019:2693
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Geen bijzondere bijstand voor tandheelkundige kosten bij voorliggende voorziening Zorgverzekeringswet
Appellant ontvangt sinds 2013 bijstand op grond van de Participatiewet en heeft meerdere keren bijzondere bijstand aangevraagd voor tandheelkundige behandelingen. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvragen af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een voorliggende, toereikende en passende voorziening is voor deze kosten.
Na bezwaar verklaarde het college enkele besluiten alsnog gegrond en verstrekte bijzondere bijstand in de vorm van geldleningen, conform het buitenwettelijk begunstigend beleid dat bijzondere bijstand kan worden verstrekt als iemand niet aanvullend verzekerd is. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de oorspronkelijke afwijzingen niet-ontvankelijk en de beroepen tegen de latere besluiten ongegrond.
In hoger beroep bevestigt de Raad dat de Zvw in beginsel de kosten van tandheelkundige behandelingen dekt en dat het ontbreken van een aanvullende verzekering geen aanleiding geeft tot het verstrekken van bijzondere bijstand. Er zijn geen zeer dringende redenen aanwezig die een uitzondering rechtvaardigen. Het buitenwettelijk begunstigend beleid van het college wordt als consistent toegepast beoordeeld.
De Raad wijst de hoger beroepen af en bevestigt de aangevallen uitspraken. Tevens wordt het verzoek om vergoeding van schade afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt dat geen bijzondere bijstand wordt toegekend voor tandheelkundige kosten vanwege de voorliggende voorziening Zorgverzekeringswet.