ECLI:NL:CRVB:2019:2720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkeringsbesluit na beoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als vakkenvuller, meldde zich in 2008 ziek met rug- en psychische klachten. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe, die later werd beëindigd vanwege een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar psychische belastbaarheid, waaronder PTSS en depressie, onvoldoende was meegewogen en dat er meer lichamelijke beperkingen moesten worden aangenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad liet zich adviseren door een onafhankelijk deskundige die concludeerde dat er geen geobjectiveerde klachten waren die aanleiding gaven voor aanvullende beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van april 2015.
De Raad oordeelde dat het UWV op goede gronden was uitgegaan van de beperkingen in de FML en dat appellante de voorbeeldfuncties kon verrichten waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.