Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:2760

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 augustus 2019
Publicatiedatum
21 augustus 2019
Zaaknummer
17/3855 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, voormalig lerares basisonderwijs, meldde zich ziek met fibromyalgie en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidskundig onderzoek vast dat haar arbeidsongeschiktheid 29,16% bedroeg, waardoor de uitkering werd geweigerd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van de bedrijfsarts, waaronder een urenbeperking, overtuigend had gemotiveerd niet te volgen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat een urenbeperking passend was.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellante geen nieuwe medische stukken had overgelegd die het standpunt konden ondersteunen dat het UWV haar belastbaarheid had overschat. Ook werd geoordeeld dat de vervanging van een functie in de schatting geen invloed had op de mate van arbeidsongeschiktheid.

De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

17.3855 WIA

Datum uitspraak: 21 augustus 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
2 mei 2017, 15/7610 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als lerares basisonderwijs voor 23,22 uur per week. Appellante heeft zich op 26 maart 2013 ziek gemeld met zwangerschapsklachten en pijnklachten, waarvoor de diagnose fibromyalgie is gesteld. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van appellante neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 juni 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 29,16%. Bij besluit van 24 juni 2015 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 21 juli 2015 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 26 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 21 oktober 2015 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. De rechtbank heeft overwogen dat zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante heeft gezien. De door appellante genoemde klachten zijn in de heroverweging betrokken, evenals de informatie van de behandelend sector en van de bedrijfsarts, die voor appellante meer beperkingen had aangenomen, waaronder een urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank overtuigend gemotiveerd waarom de conclusies van de bedrijfsarts niet zijn gevolgd. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante, zoals neergelegd in de FML van 11 juni 2015.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen erop neer dat het Uwv haar beperkingen, zowel fysiek als mentaal, heeft onderschat. Appellante acht zich niet in staat de geduide functies te kunnen verrichten. Volgens appellante is een urenbeperking aan de orde, zoals de bedrijfsarts ook had vastgesteld.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft in het hoger beroepschrift aanleiding gezien om op 19 juni 2017 de FML op het punt 3.9.1 (allergie) aan te passen omdat ten onrechte geen rekening was gehouden met de hooikoortsklachten van appellante. Met inachtneming van de gewijzigde FML is opnieuw een arbeidskundig onderzoek verricht, waaruit naar voren is gekomen dat de geselecteerde functies die ten grondslag hebben gelegen aan de eerdere besluitvorming onveranderd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA ontstaat voor een verzekerde na afloop van de wachttijd recht op uitkering als hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 21 juli 2015 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven in de overwegingen 9 tot en met 11 van de aangevallen uitspraak, worden onderschreven. De door appellante in hoger beroep gegeven nadere toelichting op deze gronden bevat geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat appellante in hoger beroep geen nadere medische stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat het Uwv haar belastbaarheid heeft overschat.
4.4.
Over de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies wordt het volgende overwogen. De functie receptioniste (SBC-code 315150) is als derde functie aan de schatting ten grondslag gelegd. Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat deze functie in medisch opzicht niet geschikt is voor appellante wegens een overschrijding van de belastbaarheid op het punt 2.8.1 (omgaan met conflicten), heeft dat geen consequenties. In plaats van de functie receptioniste kan dan de functie magazijnmedewerker (SBC- code 315020) als derde functie aan de schatting ten grondslag worden gelegd, waarmee het mediane uurloon, en daarmee de mate van arbeidsgeschiktheid, ongewijzigd blijft.
4.5.
Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2019.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) C.I. Heijkoop

VC