ECLI:NL:CRVB:2019:2760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig lerares basisonderwijs, meldde zich ziek met fibromyalgie en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidskundig onderzoek vast dat haar arbeidsongeschiktheid 29,16% bedroeg, waardoor de uitkering werd geweigerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van de bedrijfsarts, waaronder een urenbeperking, overtuigend had gemotiveerd niet te volgen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat een urenbeperking passend was.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellante geen nieuwe medische stukken had overgelegd die het standpunt konden ondersteunen dat het UWV haar belastbaarheid had overschat. Ook werd geoordeeld dat de vervanging van een functie in de schatting geen invloed had op de mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.